Language/Italian/Vocabulary/Shopping-and-Services/nl

Uit Polyglot Club WIKI
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
This lesson can still be improved. EDIT IT NOW! & become VIP
Rate this lesson:
0.00
(0 stemmen)


Italian-polyglot-club.jpg
Italiaans Woordenschat0 tot A1 CursusWinkelen en Diensten

Inleiding[bewerken | brontekst bewerken]

Winkelen en het begrijpen van diensten zijn essentiële vaardigheden, vooral wanneer je in Italië bent of met Italiaanse sprekers omgaat. In deze les gaan we ons concentreren op de woordenschat die je nodig hebt om jezelf te redden tijdens het winkelen en het gebruik van diensten in het Italiaans. Deze woorden en zinnen zullen je helpen om niet alleen te communiceren, maar ook om te genieten van de Italiaanse cultuur die zo sterk verbonden is met de handel en de service-industrie. We zullen de basiswoorden voor winkelen en diensten doornemen, en aan het einde van deze les zul je in staat zijn om eenvoudige gesprekken te voeren en je behoeften uit te drukken.

Basiswoorden voor Winkelen[bewerken | brontekst bewerken]

Laten we beginnen met enkele belangrijke woorden die je nodig hebt tijdens het winkelen. Hieronder vind je een tabel met enkele basiswoorden die je in winkels kunt tegenkomen.

Italiaans Uitspraak Nederlands
il negozio il neɡɔt͡sjo de winkel
il prezzo il ˈprɛt͡so de prijs
sconto ˈskonto korting
la taglia la ˈtaʎʎa de maat
il cliente il kliˈɛnte de klant
il commesso il komˈmɛsso de verkoper
la borsa la ˈbɔrsa de tas
il carrello il karˈrɛllo het winkelwagentje
la cassa la ˈkassa de kassa
il pagamento il paɡaˈmento de betaling

Veelgebruikte Zinnen tijdens het Winkelen[bewerken | brontekst bewerken]

Naast basiswoorden is het ook belangrijk om enkele veelgebruikte zinnen te kennen. Deze zinnen kunnen je helpen om effectief te communiceren in een winkel.

Italiaans Uitspraak Nederlands
Quanto costa? ˈkwanto ˈkosta? Hoeveel kost het?
Posso aiutarti? ˈpɔsso aiuˈtarti? Kan ik je helpen?
Ho bisogno di aiuto. o biˈzoɲo di aiˈuto. Ik heb hulp nodig.
Dove si trova...? ˈdove si ˈtrɔva...? Waar is...?
Vorrei comprare... vorˈrei komˈprare... Ik wil ... kopen.
È troppo caro. ɛ ˈtrɔppo ˈkaɾo. Het is te duur.
Posso provare questa? ˈpɔsso proˈvare ˈkwesta? Mag ik deze passen?
Accettate carte di credito? at͡ʃetˈtate ˈkarte di ˈkɾedito? Accepteren jullie creditcards?
Potrei avere uno sconto? poˈtrei aˈvere uno ˈskonto? Kan ik korting krijgen?
Mi piace! mi ˈpjatʃe! Ik vind het leuk!

Basiswoorden voor Diensten[bewerken | brontekst bewerken]

Nu we de woorden en zinnen voor winkelen hebben doorgenomen, laten we ons richten op de woorden die je kunt tegenkomen in de dienstensector.

Italiaans Uitspraak Nederlands
il ristorante il ristoˈrante het restaurant
il bar il bar de bar
la reception la reˈtʃepʃjon de receptie
il medico il ˈmɛdiko de dokter
l'autobus lˈawtobus de bus
il treno il ˈtreno de trein
la stazione la staˈtsjone het station
l'hotel lɔˈtel het hotel
la farmacia la farmaˈtʃia de apotheek
il biglietto il biʎˈjɛtto het ticket

Veelgebruikte Zinnen voor Diensten[bewerken | brontekst bewerken]

Net als bij winkelen, zijn er ook specifieke zinnen die je kunt gebruiken als je met diensten te maken hebt.

Italiaans Uitspraak Nederlands
Dove si trova il ristorante? ˈdove si ˈtrɔva il ristoˈrante? Waar is het restaurant?
Ho una prenotazione. o ˈuna prenotaˈtsjone. Ik heb een reservering.
A che ora apre? a ke ˈɔra ˈa.pre? Hoe laat opent het?
Vorrei un tavolo per due. vorˈrei un ˈtavolo per ˈdu.e. Ik wil een tafel voor twee.
Qual è il numero del tuo treno? kwal ɛ il ˈnumɛro del tuo ˈtreno? Wat is het nummer van je trein?
Posso avere il conto, per favore? ˈpɔsso aˈvere il ˈkonto per faˈvo.re? Mag ik de rekening, alstublieft?
C'è un autobus per il centro? t͡ʃɛ un ˈawtobus per il ˈtʃɛn.tro? Is er een bus naar het centrum?
Ho bisogno di un dottore. o biˈzoɲo di un doˈttore. Ik heb een dokter nodig.
Quanto costa il biglietto? ˈkwanto ˈkosta il biʎˈjɛtto? Hoeveel kost het ticket?
Parla inglese? ˈparla inˈɡleze? Spreekt u Engels?

Oefeningen en Practica[bewerken | brontekst bewerken]

Nu je de basiswoorden en zinnen hebt geleerd, is het tijd om aan de slag te gaan met een aantal oefeningen. Deze oefeningen zijn ontworpen om je te helpen de nieuwe woorden en zinnen in de praktijk te brengen.

Oefening 1: Woordenschat Invullen[bewerken | brontekst bewerken]

Vul de juiste woorden in de zinnen in.

1. Vorrei comprare een __________ (tas).

2. Quanto __________? (kost het)

3. Dove si __________ het restaurant? (bevindt)

Antwoorden:

1. borsa

2. costa

3. trova

Oefening 2: Zinnen Vertalen[bewerken | brontekst bewerken]

Vertaal de volgende zinnen naar het Italiaans.

1. Ik heb hulp nodig.

2. Hoeveel kost het ticket?

3. Waar is het hotel?

Antwoorden:

1. Ho bisogno di aiuto.

2. Quanto costa il biglietto?

3. Dove si trova l'hotel?

Oefening 3: Dialoog Oefening[bewerken | brontekst bewerken]

Schrijf een kort dialoog tussen een klant en een verkoper in een winkel. Gebruik ten minste vijf van de nieuwe woorden of zinnen.

Antwoorden:

Klant: Buongiorno, posso aiutarti?

Verkoper: Buongiorno! Vorrei comprare una borsa.

Klant: Quanto costa?

Verkoper: Costa venti euro.

Klant: È troppo caro!

Oefening 4: Woordzoeker[bewerken | brontekst bewerken]

Maak een woordzoeker met de volgende woorden: ristorante, taxi, treno, borsa, farmacia, sconto, cliente.

Oefening 5: Rollenspel[bewerken | brontekst bewerken]

Speel een rollenspel met een partner. Een persoon is de klant en de andere is de verkoper. Gebruik ten minste drie vragen van de zinnen die je hebt geleerd.

Oefening 6: Vragen Beantwoorden[bewerken | brontekst bewerken]

Beantwoord de volgende vragen in het Italiaans:

1. Wat is je favoriete winkel?

2. Waar ga je graag naartoe voor een maaltijd?

3. Hoe vaak ga je winkelen?

Antwoorden:

1. La mia negozio preferito è...

2. Mi piace andare al ristorante...

3. Vado a fare shopping una volta alla settimana.

Oefening 7: Bingo Spel[bewerken | brontekst bewerken]

Maak een bingo kaart met de nieuwe woorden en speel bingo met je klasgenoten.

Oefening 8: Luisteroefening[bewerken | brontekst bewerken]

Luister naar een gesprek tussen een klant en een verkoper en beantwoord de vragen die bij het gesprek horen.

Oefening 9: Verhaal Schrijven[bewerken | brontekst bewerken]

Schrijf een kort verhaal over een winkeldag en gebruik de nieuwe woorden en zinnen.

Oefening 10: Maak een Poster[bewerken | brontekst bewerken]

Maak een poster waarin je de nieuwe woorden en zinnen in het Italiaans en Nederlands presenteert. Hang deze op in de klas.

Conclusie[bewerken | brontekst bewerken]

In deze les hebben we de basiswoordenschat en zinnen geleerd die je nodig hebt om te winkelen en diensten te gebruiken in het Italiaans. Door deze woorden en zinnen te oefenen, zul je je zelfverzekerder voelen bij het communiceren in een Italië en met Italiaanse sprekers. Vergeet niet dat oefenen de sleutel is tot succes! Blijf oefenen en je zult snel vooruitgang boeken.

Inhoudsopgave - Italiaanse Cursus - 0 tot A1[brontekst bewerken]

Introductie tot de Italiaanse Taal


Dagelijkse Uitdrukkingen


Italiaanse Cultuur en Traditie


Vervoeging in de Verleden en Toekomst


Sociaal en Werk Leven


Italiaanse Literatuur en Film


Onbepaalde en Gebiedende Wijs


Wetenschap en Technologie


Italiaanse Politiek en Samenleving


Samenstelling van Tijden


Kunst en Design


Italiaanse Taal en Dialecten


Andere lessen[bewerken | brontekst bewerken]


Contributors

Maintenance script


Create a new Lesson