Language/Portuguese/Vocabulary/Family-Members/nl

Uit Polyglot Club WIKI
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
This lesson can still be improved. EDIT IT NOW! & become VIP
Rate this lesson:
0.00
(0 stemmen)


Portuguese-europe-brazil-polyglotclub.png
Portugees Woordenlijst0 naar A1 CursusFamilieleden

Inleiding[bewerken | brontekst bewerken]

Welkom bij de les over familieleden in het Portugees! Familie is een van de belangrijkste onderdelen van ons leven en het is essentieel om de juiste woorden en zinnen te kennen om over je familie te praten. In deze les gaan we de belangrijkste familieleden leren en hoe je hun relaties kunt beschrijven. Dit zal je helpen om gesprekken te voeren over je eigen leven en om meer te leren over de cultuur en waarden van de Portugezen.

Laten we samen deze fascinerende wereld van familiebanden verkennen! We beginnen met de basiswoorden en hun uitspraak, gevolgd door voorbeelden en oefeningen om je te helpen deze nieuwe woorden in de praktijk te brengen.

Familieleden in het Portugees[bewerken | brontekst bewerken]

Laten we beginnen met de belangrijkste familieleden. Hier is een lijst met de meest voorkomende termen voor familieleden in het Portugees, inclusief hun uitspraak en de Nederlandse vertaling.

Portugese Uitspraak Nederlands
pai pai vader
mãe mɐ̃j moeder
filho ˈfiʎu zoon
filha ˈfiʎɐ dochter
irmão iʁˈmɐ̃u broer
irmã iʁˈmɐ̃ zus
avô aˈvo grootvader
avó aˈvɔ grootmoeder
tio ˈtʃiw oom
tia ˈtʃiɐ tante
primo ˈpɾimu neef
prima ˈpɾimɐ nicht
sogro ˈsoɡɾu schoonvader
sogra ˈsoɡɾɐ schoonmoeder
cunhado kuˈɲadʊ zwager
cunhada kuˈɲadɐ schoonzus
neto ˈnetu kleinzoon
neta ˈnetɐ kleindochter
família faˈmiljɐ familie
parentes paˈɾẽtɨs verwanten

Relaties tussen familieleden[bewerken | brontekst bewerken]

Nu we de basiswoorden voor familieleden kennen, laten we eens kijken hoe we de relaties tussen hen kunnen beschrijven. Dit is belangrijk omdat het helpt om een beter begrip te krijgen van hoe families zijn gestructureerd in de Portugese cultuur.

Hier zijn enkele zinnen die je kunt gebruiken om relaties te beschrijven:

  • Mijn vader is de broer van mijn moeder. (Meu pai é o irmão da minha mãe.)
  • Mijn zus is de dochter van mijn ouders. (Minha irmã é a filha dos meus pais.)
  • Mijn grootvader is de vader van mijn moeder. (Meu avô é o pai da minha mãe.)

Laten we deze zinnen verder verkennen met meer voorbeelden.

Portugese Uitspraak Nederlands
Meu pai é o irmão da minha mãe. mɨw paɪ e u iʁˈmɐ̃u dɐ mɨˈɲɐ mɐ̃j Mijn vader is de broer van mijn moeder.
Minha irmã é a filha dos meus pais. ˈmĩɐ iʁˈmɐ̃ e a ˈfiʎɐ duz mɨuz paɪs Mijn zus is de dochter van mijn ouders.
Meu avô é o pai da minha mãe. mɨw aˈvo e u paɪ dɐ mɨˈɲɐ mɐ̃j Mijn grootvader is de vader van mijn moeder.
Minha prima é a filha do meu tio. ˈmĩɐ ˈpɾimɐ e a ˈfiʎɐ du mɨw ˈtʃiw Mijn nicht is de dochter van mijn oom.
Meu irmão é o filho da minha sogra. mɨw iʁˈmɐ̃u e u ˈfiʎu dɐ mɨˈɲɐ ˈsoɡɾɐ Mijn broer is de zoon van mijn schoonmoeder.

Oefeningen[bewerken | brontekst bewerken]

Om je kennis over de familieleden te testen en te versterken, hebben we een aantal oefeningen voorbereid. Probeer de juiste antwoorden te vinden en gebruik de woorden die je net hebt geleerd.

Oefening 1: Vul de lege plekken in[bewerken | brontekst bewerken]

Vul de lege plekken in met de juiste Portugese woorden.

1. Mijn ______ (moeder) is de vrouw van mijn vader.

2. Mijn ______ (broer) is de zoon van mijn ouders.

3. Mijn ______ (grootmoeder) is de moeder van mijn moeder.

4. Mijn ______ (nicht) is de dochter van mijn tante.

5. Mijn ______ (oom) is de broer van mijn vader.

Oplossingen Oefening 1[bewerken | brontekst bewerken]

1. mãe

2. irmão

3. avó

4. prima

5. tio

Oefening 2: Vertaal de zinnen[bewerken | brontekst bewerken]

Vertaal de volgende zinnen van het Nederlands naar het Portugees.

1. Mijn vader is de grootvader van mijn kinderen.

2. Mijn zus is de schoonzus van mijn man.

3. Mijn neef is de zoon van mijn tante.

4. Mijn grootmoeder is de moeder van mijn vader.

5. Mijn schoonmoeder is de vrouw van mijn schoonvader.

Oplossingen Oefening 2[bewerken | brontekst bewerken]

1. Meu pai é o avô dos meus filhos.

2. Minha irmã é a cunhada do meu marido.

3. Meu primo é o filho da minha tia.

4. Minha avó é a mãe do meu pai.

5. Minha sogra é a mulher do meu sogro.

Oefening 3: Maak zinnen[bewerken | brontekst bewerken]

Maak zinnen met de volgende woorden: (gebruik de structuur "X is de Y van Z")

1. pai / filho / mãe

2. avó / neto / filho

3. tia / prima / tio

4. irmã / sogra / broer

5. cunhada / marido / vrouw

Oplossingen Oefening 3[bewerken | brontekst bewerken]

1. Meu pai é o filho da minha mãe.

2. Minha avó é o neto do meu filho.

3. Minha tia é a prima do meu tio.

4. Minha irmã é a sogra do meu irmão.

5. Minha cunhada é a mulher do meu marido.

Oefening 4: Kiezen van het juiste woord[bewerken | brontekst bewerken]

Kies het juiste woord om de zin te voltooien.

1. Mijn ______ (oma/opa) is 80 jaar oud.

2. Mijn ______ (dochter/zoon) houdt van tekenen.

3. Mijn ______ (tante/neef) is getrouwd met mijn oom.

4. Mijn ______ (zus/broer) studeert aan de universiteit.

5. Mijn ______ (schoonmoeder/schoonvader) helpt ons vaak.

Oplossingen Oefening 4[bewerken | brontekst bewerken]

1. oma

2. dochter

3. tante

4. zus

5. schoonmoeder

Oefening 5: Woordzoeker[bewerken | brontekst bewerken]

Zoek de volgende woorden in de woordzoeker:

  • pai
  • mãe
  • filho
  • filha
  • avô
  • avó
  • irmão
  • irmã

Oefening 6: Schrijf een korte tekst[bewerken | brontekst bewerken]

Schrijf een korte tekst van 5-6 zinnen over je familie. Gebruik de woorden die je hebt geleerd.

Oefening 7: Vragen beantwoorden[bewerken | brontekst bewerken]

Beantwoord de volgende vragen in het Portugees:

1. Wie is je beste vriend of vriendin?

2. Heb je broers of zussen? Hoeveel?

3. Wie is je favoriete familielid? Waarom?

4. Heb je kinderen? Hoeveel?

5. Wie is je grootouders?

Oefening 8: Matching[bewerken | brontekst bewerken]

Koppel de Portugese woorden aan de juiste Nederlandse vertalingen.

1. mãe - a. moeder

2. pai - b. zoon

3. filho - c. vader

4. filha - d. dochter

5. irmão - e. broer

Oplossingen Oefening 8[bewerken | brontekst bewerken]

1. mãe - a. moeder

2. pai - c. vader

3. filho - b. zoon

4. filha - d. dochter

5. irmão - e. broer

Oefening 9: Vertaling van zinnen[bewerken | brontekst bewerken]

Vertaal de volgende zinnen van het Portugees naar het Nederlands.

1. Minha avó é muito carinhosa.

2. Meu primo gosta de jogar futebol.

3. Minha irmã é estudante.

4. Meu tio mora em Portugal.

5. Minha sogra faz os melhores bolos.

Oplossingen Oefening 9[bewerken | brontekst bewerken]

1. Mijn grootmoeder is heel lief.

2. Mijn neef houdt van voetballen.

3. Mijn zus is student.

4. Mijn oom woont in Portugal.

5. Mijn schoonmoeder maakt de beste taarten.

Oefening 10: Familieboom[bewerken | brontekst bewerken]

Teken een familieboom en label de leden met de juiste Portugese termen. Zorg ervoor dat je een paar relaties beschrijft.

Conclusie[bewerken | brontekst bewerken]

We hebben nu de basis van de familieleden in het Portugees geleerd. Dit is een belangrijke stap in je reis om de taal te leren. Vergeet niet dat het begrijpen van familiebanden niet alleen nuttig is voor het leren van de taal, maar ook voor het begrijpen van de cultuur en tradities van de Portugezen. Blijf oefenen en gebruik deze woorden in je dagelijkse gesprekken. Tot de volgende les!

Inhoudsopgave - Portugese Cursus - 0 tot A1[brontekst bewerken]


Unit 1: Begroetingen en Basisuitdrukkingen


Unit 2: Werkwoorden - Tegenwoordige Tijd


Unit 3: Familie en Beschrijvingen


Unit 4: Werkwoorden - Toekomende en Voorwaardelijke Tijden


Unit 5: Portugese sprekende landen en culturen


Unit 6: Eten en drinken


Unit 7: Werkwoorden - Verleden Tijd


Unit 8: Reizen en Transport


Unit 9: Onbepaalde Voornaamwoorden en Voorzetsels


Unit 10: Gezondheid en Noodgevallen


Andere lessen[bewerken | brontekst bewerken]


Contributors

Maintenance script


Create a new Lesson