Language/German/Vocabulary/Shopping-for-Clothes/nl
Հայերէն
Български език
官话
官話
Hrvatski jezik
Český jazyk
Nederlands
English
Suomen kieli
Français
עברית
हिन्दी
Magyar
Bahasa Indonesia
فارسی
Italiano
日本語
Қазақ тілі
한국어
Lietuvių kalba
Νέα Ελληνικά
Şimali Azərbaycanlılar
Język polski
Português
Limba Română
Русский язык
Српски
Español
العربية القياسية
Svenska
Wikang Tagalog
தமிழ்
ภาษาไทย
Türkçe
Українська мова
Urdu
Tiếng Việt
In deze les gaan we ons verdiepen in het winkelen voor kleding in het Duits. Dit onderwerp is van cruciaal belang voor beginners die de Duitse taal leren, omdat het hen in staat stelt om zich uit te drukken in alledaagse situaties, zoals winkelen. We leren niet alleen de namen van verschillende kledingstukken, maar ook hoe we deze kunnen kopen in een winkel. Dit is een essentiële vaardigheid voor iedereen die naar Duitstalige landen reist of met Duitstalige mensen omgaat.
In deze les behandelen we de volgende onderwerpen:
Kledingstukken in het Duits[bewerken | brontekst bewerken]
Hieronder vind je een lijst van veelvoorkomende kledingstukken in het Duits, met hun uitspraak en Nederlandse vertaling.
| Duits | Uitspraak | Nederlands |
|---|---|---|
| das Hemd | [das hɛmt] | het shirt |
| die Hose | [diː ˈhoːzə] | de broek |
| das Kleid | [das klaɪ̯t] | de jurk |
| der Rock | [deːʁ ʁɔk] | de rok |
| die Jacke | [diː ˈjakə] | de jas |
| der Mantel | [deːʁ ˈmantl̩] | de mantel |
| die Bluse | [diː ˈbluːzə] | de blouse |
| die Schuhe | [diː ˈʃuːə] | de schoenen |
| die Socken | [diː ˈzɔkən] | de sokken |
| der Hut | [deːʁ huːt] | de hoed |
| der Schal | [deːʁ ʃaːl] | de sjaal |
| die Unterwäsche | [diː ˈʊntɐˌvɛʃə] | de onderkleding |
| die Handschuhe | [diː ˈhantʃuːə] | de handschoenen |
| die Tasche | [diː ˈtaʃə] | de tas |
| der Gürtel | [deːʁ ˈɡʏʁtl̩] | de riem |
| die Krawatte | [diː kraˈvatə] | de stropdas |
| die Sonnenbrille | [diː ˈzɔnənbʁɪlə] | de zonnebril |
| die Mütze | [diː ˈmʏtsə] | de muts |
| der Badeanzug | [deːʁ ˈbaːdəˌʔantsuːɡ] | het badpak |
| die Badeschlappen | [diː ˈbaːdəˌʃlapən] | de slippers |
Kleding kopen[bewerken | brontekst bewerken]
Nu we de kledingstukken kennen, is het belangrijk om te leren hoe we ze kunnen kopen. Hier zijn enkele nuttige zinnen en uitdrukkingen die je kunt gebruiken bij het winkelen.
| Duits | Uitspraak | Nederlands |
|---|---|---|
| Ich möchte das kaufen. | [ɪç ˈmœçtə das ˈkaʊ̯fən] | Ik wil dit kopen. |
| Wie viel kostet das? | [viː fiːl ˈkɔstət das] | Hoeveel kost dit? |
| Haben Sie das in einer anderen Größe? | [ˈhaːbən ziː das ɪn ˈaɪ̯nɐn ˈandəʁn ˈɡrøːsə] | Heeft u dit in een andere maat? |
| Ich hätte gern eine andere Farbe. | [ɪç ˈhɛtə ɡɛʁn ˈaɪ̯nə ˈandəʁə ˈfaʁbə] | Ik zou graag een andere kleur willen. |
| Kann ich das anprobieren? | [kan ɪç das ˈanpʁoːbiːʁən] | Kan ik dit passen? |
| Wo ist die Umkleidekabine? | [voː ɪst diː ˈʊmˌklaɪ̯dəkaˌbiːnə] | Waar is de paskamer? |
| Ich nehme es. | [ɪç ˈneːmə ɛs] | Ik neem het. |
| Ich möchte bezahlen. | [ɪç ˈmœçtə bəˈtsaːlən] | Ik wil betalen. |
| Gibt es Rabatt? | [ɡɪpt ɛs raˈbat] | Is er korting? |
| Kann ich mit Karte bezahlen? | [kan ɪç mɪt ˈkaʁtə bəˈtsaːlən] | Kan ik met kaart betalen? |
Oefeningen[bewerken | brontekst bewerken]
Om je kennis te oefenen, zijn hier enkele oefeningen die je kunt maken.
Oefening 1: Vertaal de zinnen[bewerken | brontekst bewerken]
Vertaal de volgende zinnen van het Nederlands naar het Duits.
1. Ik wil dit kopen.
2. Hoeveel kost dit?
3. Heeft u dit in een andere maat?
Antwoorden:
1. Ich möchte das kaufen.
2. Wie viel kostet das?
3. Haben Sie das in einer anderen Größe?
Oefening 2: Vul de lege plekken in[bewerken | brontekst bewerken]
Vul de lege plekken in met het juiste Duitse woord.
1. Ich möchte ______ kaufen. (het shirt)
2. Wie viel ______ das? (kost)
3. Wo ist die ______? (paskamer)
Antwoorden:
1. das Hemd
2. kostet
3. Umkleidekabine
Oefening 3: Kies de juiste optie[bewerken | brontekst bewerken]
Kies het juiste Duitse woord dat past bij de afbeelding (bijvoorbeeld: als je een afbeelding van een broek toont, kies dan "die Hose").
1. ______ (der Rock / das Hemd / die Bluse)
2. ______ (die Schuhe / die Socken / der Hut)
3. ______ (die Jacke / der Mantel / das Kleid)
Antwoorden:
1. der Rock
2. die Schuhe
3. die Jacke
Oefening 4: Vragen stellen[bewerken | brontekst bewerken]
Stel de juiste vraag aan de verkoper in het Duits.
1. Hoeveel kost het badpak?
Antwoord: Wie viel kostet der Badeanzug?
2. Hebt u dit in een andere kleur?
Antwoord: Haben Sie das in einer anderen Farbe?
Oefening 5: Schrijf een dialoog[bewerken | brontekst bewerken]
Schrijf een korte dialoog tussen een klant en een verkoper in een kledingwinkel. Gebruik ten minste 3 zinnen van de lijst die we hebben geleerd.
Antwoord voorbeeld:
Klant: "Guten Tag! Ich möchte das kaufen."
Verkoper: "Wie viel kostet das?"
Klant: "Ich hätte gern eine andere Farbe."
Samenvatting[bewerken | brontekst bewerken]
In deze les hebben we geleerd over verschillende kledingstukken in het Duits en hoe we deze kunnen kopen. We hebben belangrijke zinnen en uitdrukkingen behandeld die nuttig zijn bij het winkelen. Oefen deze woorden en zinnen regelmatig, zodat je zelfverzekerd kunt winkelen in een Duitstalige omgeving. Veel succes met je verdere studie van het Duits!
Andere lessen[bewerken | brontekst bewerken]
- 0 tot A1-cursus → Woordenschat → Familieleden
- Complete 0 to A1 Course → Woordenschat → Openbaar vervoer
- 0 tot A1-cursus → Woordenschat → Cijfers 1-100
- 0 tot A1 Cursus → Woordenschat → Boodschappen Doen
- 0 tot A1-Cursus → Woordenschat → Praten over Gezondheid
- 0 tot A1-cursus → Woordenschat → Tijd vertellen
- Complete 0 tot A1 Duitse Cursus → Woordenschat → Dranken en drankjes
- Complete 0 tot A1 Duitse Cursus → Woordenschat → Een reis boeken
- Beginnerscursus 0 tot A1 → Woordenschat → Voedsel en Maaltijden
- Complete 0 tot A1 Duitse cursus → Woordenschat → Praten over je vrienden
- Complete 0 tot A1 Duitse cursus → Woordenschat → Begroetingen en afscheid
- 0 tot A1-cursus → Woordenschat → Dagen van de week en maanden
- Complete 0 tot A1 Duitse cursus → Woordenschat → Lichaamsdelen
- Compleet 0 tot A1 Duitse cursus → Woordenschat → Je voorstellen
