Language/German/Vocabulary/Numbers-1-100/nl
Հայերէն
Български език
官话
官話
Hrvatski jezik
Český jazyk
Nederlands
English
Suomen kieli
Français
עברית
हिन्दी
Magyar
Bahasa Indonesia
فارسی
Italiano
日本語
Қазақ тілі
한국어
Lietuvių kalba
Νέα Ελληνικά
Şimali Azərbaycanlılar
Język polski
Português
Limba Română
Русский язык
Српски
Español
العربية القياسية
Svenska
Wikang Tagalog
தமிழ்
ภาษาไทย
Türkçe
Українська мова
Urdu
Tiếng Việt
In deze les gaan we ons richten op een fundamenteel aspect van de Duitse taal: getallen van 1 tot 100. Het leren van deze getallen is niet alleen belangrijk voor het begrijpen van de taal, maar het is ook cruciaal voor alledaagse interacties, zoals het doen van aankopen, het geven van je telefoonnummer, en het vertellen van de tijd. Door de basis van de getallen te beheersen, leg je een stevige basis voor verdere taallessen.
Structuur van de Les[bewerken | brontekst bewerken]
1. Introductie tot Getallen in het Duits
2. De Getallen van 1 tot 20
3. De Tientallen en Hoe Ze Te Vormen
4. De Getallen van 21 tot 100
5. Oefeningen en Toepassingen
6. Oplossingen en Uitleg van Oefeningen
Introductie tot Getallen in het Duits[bewerken | brontekst bewerken]
Getallen zijn overal om ons heen. Of je nu in de supermarkt bent, met vrienden afspreekt of naar een concert gaat, de kans is groot dat je getallen nodig hebt. In het Duits zijn de getallen eenvoudig te leren, maar ze hebben hun eigen specifieke regels en patronen. Laten we beginnen met de basis.
De Getallen van 1 tot 20[bewerken | brontekst bewerken]
De eerste stap in het leren van getallen is het begrijpen van de getallen van 1 tot 20. Deze getallen zijn de bouwstenen voor grotere getallen. Hieronder zie je een tabel met de getallen in het Duits, hun uitspraak en de Nederlandse vertaling.
| Duits | Uitspraak | Nederlands |
|---|---|---|
| eins | aɪns | één |
| zwei | tsvaɪ | twee |
| drei | draɪ | drie |
| vier | fiːr | vier |
| fünf | fʏnf | vijf |
| sechs | zɛks | zes |
| sieben | ˈziːbən | zeven |
| acht | axt | acht |
| neun | nɔʏn | negen |
| zehn | tseːn | tien |
| elf | ɛlf | elf |
| zwölf | tsvœlf | twaalf |
| dreizehn | ˈdraɪ̯tseːn | dertien |
| vierzehn | ˈfiːrtsɛːn | veertien |
| fünfzehn | ˈfʏnfˌtseːn | vijftien |
| sechzehn | ˈzɛktsɛːn | zestien |
| siebzehn | ˈziːbˌtseːn | zeventien |
| achtzehn | ˈaxtˌtseːn | achttien |
| neunzehn | ˈnɔʏnˌtseːn | negentien |
De Tientallen en Hoe Ze Te Vormen[bewerken | brontekst bewerken]
Na het leren van de getallen van 1 tot 20, is het tijd om de tientallen te begrijpen. De getallen van 20 tot 90 volgen een bepaald patroon. De getallen 20, 30, 40, enzovoort, eindigen op -zig. Hier is een tabel met de belangrijkste tientallen:
| Duits | Uitspraak | Nederlands |
|---|---|---|
| zwanzig | ˈtsvantsɪç | twintig |
| dreißig | ˈdraɪ̯sɪç | dertig |
| vierzig | ˈfiːrtsɪç | veertig |
| fünfzig | ˈfʏnftsɪç | vijftig |
| sechzig | ˈzɛktsɪç | zestig |
| siebzig | ˈziːptsɪç | zeventig |
| achtzig | ˈaxtsɪç | tachtig |
| neunzig | ˈnɔʏntsɪç | negentig |
| hundert | ˈhʊndɐt | honderd |
De Getallen van 21 tot 100[bewerken | brontekst bewerken]
Nu we de getallen van 1 tot 20 en de tientallen hebben geleerd, kunnen we de getallen van 21 tot 100 vormen. De structuur voor de getallen van 21 tot 99 is als volgt: je zegt eerst het eenheidscijfer, gevolgd door "und", en dan het tiental. Bijvoorbeeld: 21 is "einundzwanzig" (één en twintig). Hier is een tabel met enkele voorbeelden:
| Duits | Uitspraak | Nederlands |
|---|---|---|
| einundzwanzig | aɪnʊntˈtsvantsɪç | éénentwintig |
| zweiundzwanzig | ˈtsvaɪʊntˈtsvantsɪç | tweeëntwintig |
| dreiundzwanzig | ˈdraɪ̯ʊntˈtsvantsɪç | drieëntwintig |
| vierundzwanzig | ˈfiːrʊntˈtsvantsɪç | vierentwintig |
| fünfundzwanzig | ˈfʏnfʊntˈtsvantsɪç | vijfentwintig |
| sechundzwanzig | ˈzɛkʊntˈtsvantsɪç | zesentwintig |
| siebenundzwanzig | ˈziːbʊntˈtsvantsɪç | zevenentwintig |
| achtundzwanzig | ˈaxtʊntˈtsvantsɪç | achtentwintig |
| neunundzwanzig | ˈnɔʏnʊntˈtsvantsɪç | negenentwintig |
| dreißig | ˈdraɪ̯sɪç | dertig |
| einunddreißig | aɪnʊndˈdraɪ̯sɪç | éénendertig |
| zweiunddreißig | ˈtsvaɪʊndˈdraɪ̯sɪç | tweeëndertig |
| ... | ... | ... |
Om getallen boven de 30 te maken, blijf je dezelfde structuur volgen. Hier zijn enkele voorbeelden van de hogere getallen:
| Duits | Uitspraak | Nederlands |
|---|---|---|
| einundvierzig | aɪnʊntˈfiːrtsɪç | éénenveertig |
| zweiundvierzig | ˈtsvaɪʊntˈfiːrtsɪç | tweeënveertig |
| einundfünfzig | aɪnʊntˈfʏnftsɪç | éénenvijftig |
| zweiundfünfzig | ˈtsvaɪʊntˈfʏnftsɪç | tweeenvijftig |
| einundsechzig | aɪnʊntˈzɛktsɪç | éénenzestig |
| einundachtzig | aɪnʊntˈaxtsɪç | éénentachtig |
| einundneunzig | aɪnʊntˈnɔʏntsɪç | éénennegentig |
| hundert | ˈhʊndɐt | honderd |
Oefeningen en Toepassingen[bewerken | brontekst bewerken]
Nu je de getallen in het Duits hebt geleerd, laten we wat oefeningen doen om je kennis te testen en te versterken. Hier zijn 10 oefeningen die je kunt proberen:
Oefening 1: Vul de Lege Ruimtes In[bewerken | brontekst bewerken]
Vul de lege ruimtes in met het juiste Duitse getal.
1. _zehn__ (tien)
2. ___ (drieëntwintig)
3. ___ (vijftig)
4. ___ (zeventig)
5. ___ (negenentachtig)
Oefening 2: Vertaal de Getallen[bewerken | brontekst bewerken]
Vertaal de volgende getallen naar het Duits.
1. 14
2. 37
3. 52
4. 89
5. 100
Oefening 3: Schrijf de Getallen in Woorden[bewerken | brontekst bewerken]
Schrijf de getallen in woorden in het Duits.
1. 25
2. 43
3. 67
4. 78
5. 91
Oefening 4: Getallen in Context[bewerken | brontekst bewerken]
Maak een zin met de volgende getallen.
1. 5
2. 20
3. 100
4. 13
5. 42
Oefening 5: Luister en Herhaal[bewerken | brontekst bewerken]
Vraag iemand om de volgende getallen voor te lezen en herhaal ze hardop.
1. 11
2. 30
3. 55
4. 68
5. 99
Oefening 6: Bingo Spel[bewerken | brontekst bewerken]
Speel een spelletje bingo met je klasgenoten met de getallen van 1 tot 100. Degene die als eerste een rij compleet heeft, wint!
Oefening 7: Maak een Rekening[bewerken | brontekst bewerken]
Stel een fictieve rekening op met prijzen in het Duits (bijvoorbeeld: 3 appels à 2 euro).
Oefening 8: Wat is de Tijd?[bewerken | brontekst bewerken]
Vraag je klasgenoten naar de tijd in het Duits met behulp van getallen (bijvoorbeeld: Hoe laat is het? Het is 15 uur).
Oefening 9: Raad het Getal[bewerken | brontekst bewerken]
Denk aan een getal tussen 1 en 100 en laat je klasgenoten raden welk getal het is door hints te geven in het Duits.
Oefening 10: Schrijf een Verhaal[bewerken | brontekst bewerken]
Schrijf een kort verhaal dat minstens vijf getallen bevat in het Duits.
Oplossingen en Uitleg van Oefeningen[bewerken | brontekst bewerken]
Hier zijn de oplossingen voor de oefeningen, zodat je kunt controleren of je het goed hebt gedaan.
Oplossingen Oefening 1[bewerken | brontekst bewerken]
1. zehn
2. dreiundzwanzig
3. fünfzig
4. siebzig
5. neunundachtzig
Oplossingen Oefening 2[bewerken | brontekst bewerken]
1. vierzehn
2. siebenunddreißig
3. zweiundvijftig
4. neunundachtig
5. hundert
Oplossingen Oefening 3[bewerken | brontekst bewerken]
1. fünfundzwanzig
2. dreiunddreißig
3. siebenundsechzig
4. achtundszeventig
5. einundnegenzig
Oplossingen Oefening 4[bewerken | brontekst bewerken]
1. Ich habe fünf appels.
2. Ik heb twintig euro.
3. Ik heb honderd vrienden.
4. Ik ben dertien jaar oud.
5. Ik ben tweeënveertig dagen op vakantie.
Oplossingen Oefening 5[bewerken | brontekst bewerken]
1. elf
2. dertig
3. vijfenvijftig
4. achtenzestig
5. negenennegentig
Oplossingen Oefening 6[bewerken | brontekst bewerken]
Speel bingo en kijk wie de eerste is die een rij vol heeft.
Oplossingen Oefening 7[bewerken | brontekst bewerken]
Bijvoorbeeld: 3 appels à 2 euro = 6 euro.
Oplossingen Oefening 8[bewerken | brontekst bewerken]
Vraag: Wie spät ist es? Het is 15 Uhr.
Oplossingen Oefening 9[bewerken | brontekst bewerken]
Denk aan een getal en geef hints, bijvoorbeeld: Het is een getal tussen 1 en 100.
Oplossingen Oefening 10[bewerken | brontekst bewerken]
Schrijf een kort verhaal dat je zelf hebt gemaakt met minimaal vijf getallen.
Andere lessen[bewerken | brontekst bewerken]
- 0 tot A1 Cursus → Woordenschat → Boodschappen Doen
- Complete 0 tot A1 Duitse Cursus → Woordenschat → Een reis boeken
- Complete 0 tot A1 Duitse cursus → Woordenschat → Begroetingen en afscheid
- Complete 0 to A1 Course → Woordenschat → Openbaar vervoer
- 0 tot A1-cursus → Woordenschat → Tijd vertellen
- Compleet 0 tot A1 Duitse cursus → Woordenschat → Je voorstellen
- Complete 0 tot A1 Duitse cursus → Woordenschat → Praten over je vrienden
- 0 tot A1-Cursus → Woordenschat → Praten over Gezondheid
- Complete 0 tot A1 Duitse Cursus → Woordenschat → Dranken en drankjes
- Complete 0 tot A1 Duitse cursus → Woordenschat → Lichaamsdelen
- Beginnerscursus 0 tot A1 → Woordenschat → Voedsel en Maaltijden
- 0 tot A1-cursus → Woordenschat → Familieleden
- Complete 0 tot A1 Duitse Cursus → Woordenschat → Winkelen voor Kleding
- 0 tot A1-cursus → Woordenschat → Dagen van de week en maanden
