Language/German/Vocabulary/Body-Parts/nl
Հայերէն
Български език
官话
官話
Hrvatski jezik
Český jazyk
Nederlands
English
Suomen kieli
Français
עברית
हिन्दी
Magyar
Bahasa Indonesia
فارسی
Italiano
日本語
Қазақ тілі
한국어
Lietuvių kalba
Νέα Ελληνικά
Şimali Azərbaycanlılar
Język polski
Português
Limba Română
Русский язык
Српски
Español
العربية القياسية
Svenska
Wikang Tagalog
தமிழ்
ภาษาไทย
Türkçe
Українська мова
Urdu
Tiếng Việt
In deze les gaan we ons richten op lichaamsdelen in het Duits. Dit onderwerp is niet alleen belangrijk voor het uitbreiden van je woordenschat, maar het helpt je ook om te praten over gezondheid, blessures en symptomen. Of je nu met een arts wilt praten of gewoon wilt beschrijven hoe je je voelt, het kennen van de juiste woorden is essentieel. We zullen samen de belangrijkste lichaamsdelen leren, hoe je blessures en symptomen beschrijft, en we sluiten af met enkele oefeningen om je kennis te testen.
Lesstructuur[bewerken | brontekst bewerken]
In deze les behandelen we de volgende onderwerpen:
Belangrijke lichaamsdelen[bewerken | brontekst bewerken]
Hoe blessures en symptomen te beschrijven[bewerken | brontekst bewerken]
Oefeningen en praktijk[bewerken | brontekst bewerken]
Belangrijke lichaamsdelen[bewerken | brontekst bewerken]
Laten we beginnen met het leren van de belangrijkste lichaamsdelen in het Duits. Hieronder vind je een tabel met enkele veelvoorkomende lichaamsdelen, hun uitspraak en de Nederlandse vertaling.
| German | Pronunciation | Dutch |
|---|---|---|
| Kopf | kɔpf | hoofd |
| Arm | aʁm | arm |
| Bein | baɪn | been |
| Hand | hant | hand |
| Fuß | fuːs | voet |
| Auge | ˈaʊ̯ɡə | oog |
| Ohr | oːʁ | oor |
| Mund | mʊnt | mond |
| Nase | ˈnaːzə | neus |
| Bauch | baʊ̯x | buik |
| Rücken | ˈʁʏkən | rug |
| Schulter | ˈʃʊltɐ | schouder |
| Knie | kniː | knie |
| Ellenbogen | ˈɛlənˌboːɡn̩ | elleboog |
| Zeh | tseː | teen |
| Finger | ˈfɪŋɐ | vinger |
| Haut | haʊ̯t | huid |
| Herz | hɛʁts | hart |
| Kopfhaar | ˈkɔpfhaːʁ | haar |
| Zunge | ˈtsʊŋə | tong |
| Zähne | ˈt͡seːnə | tanden |
Nu we een lijst van de belangrijkste lichaamsdelen hebben, laten we kijken naar hoe we blessures en symptomen kunnen beschrijven.
Hoe blessures en symptomen te beschrijven[bewerken | brontekst bewerken]
In de dagelijkse conversatie is het vaak nodig om te praten over hoe we ons voelen of wat er met ons lichaam aan de hand is. Hier zijn enkele nuttige zinnen en uitdrukkingen om te gebruiken wanneer je over blessures of symptomen praat:
1. Ich habe Schmerzen in meinem... (Ik heb pijn in mijn...)
2. Mein ... tut weh. (Mijn ... doet pijn.)
3. Ich habe mir den ... verletzt. (Ik heb mijn ... verwond.)
4. Ich fühle mich nicht gut. (Ik voel me niet goed.)
5. Ich habe Kopfschmerzen. (Ik heb hoofdpijn.)
6. Ich habe Bauchschmerzen. (Ik heb buikpijn.)
7. Ich bin gestolpert und habe mein ... verletzt. (Ik ben gestruikeld en heb mijn ... verwond.)
8. Ich habe mir den Fuß verstaucht. (Ik heb mijn voet verstuikt.)
9. Mein Arm ist gebrochen. (Mijn arm is gebroken.)
10. Ich habe eine Allergie an meinem ... (Ik heb een allergie aan mijn ...)
Hier zijn enkele voorbeelden van het beschrijven van symptomen:
| Symptom (Duits) || Nederlands |
| - | - |
| Kopfschmerzen || Hoofdpijn |
| Bauchschmerzen || Buikpijn |
| Rückenschmerzen || Rugpijn |
| Zahnschmerzen || Tandpijn |
| Halsschmerzen || Keelpijn |
| Fieber || Koorts |
| Husten || Hoesten |
| Schnupfen || Verkouden zijn |
| Übelkeit || Misselijkheid |
| Erbrechen || Braken |
Nu dat we de basis hebben gelegd voor het beschrijven van lichaamsdelen en symptomen, laten we enkele oefeningen doen om onze kennis te testen.
Oefeningen en praktijk[bewerken | brontekst bewerken]
Hieronder staan enkele oefeningen die je kunt maken om je vaardigheden te oefenen.
Oefening 1: Vertaal de lichaamsdelen[bewerken | brontekst bewerken]
Vertaal de volgende lichaamsdelen van het Nederlands naar het Duits:
1. hoofd
2. arm
3. neus
4. rug
5. voet
Oplossingen:
1. Kopf
2. Arm
3. Nase
4. Rücken
5. Fuß
Oefening 2: Vul de lege plekken in[bewerken | brontekst bewerken]
Vul de lege plekken in met het juiste lichaamsdeel in het Duits.
1. Mein ___ tut weh. (voet)
2. Ich habe mir den ___ verletzt. (arm)
3. Ich habe Schmerzen in meinem ___. (knee)
4. Mein ___ ist gebrochen. (hand)
5. Ich habe Kopfschmerzen. (hoofd)
Oplossingen:
1. Fuß
2. Arm
3. Knie
4. Hand
5. Kopf
Oefening 3: Beschrijf de symptomen[bewerken | brontekst bewerken]
Gebruik de volgende zinnen en vul ze aan met het juiste lichaamsdeel:
1. Ich habe Schmerzen in meinem ___.
2. Mein ___ tut weh.
3. Ich habe mir den ___ verletzt.
4. Ich habe ___.
5. Ich fühle mich nicht gut.
Oplossingen:
1. (Bijvoorbeeld: Bauch)
2. (Bijvoorbeeld: Kopf)
3. (Bijvoorbeeld: Arm)
4. (Bijvoorbeeld: Fieber)
5. (Bijvoorbeeld: Kopf)
Oefening 4: Maak een dialoog[bewerken | brontekst bewerken]
Schrijf een korte dialoog tussen twee personen waarbij ze praten over een blessure. Gebruik ten minste vijf van de woorden die je hebt geleerd.
Oplossing: (voorbeelddialoog)
A: Hallo! Was ist passiert?
B: Ich habe mir den Fuß verletzt.
A: Oh nein! Tut es weh?
B: Ja, es tut sehr weh!
Oefening 5: Woordzoeker[bewerken | brontekst bewerken]
Maak een woordzoeker met de volgende woorden: Kopf, Arm, Bein, Hand, Fuß, Auge, Ohr, Mund, Nase, Bauch.
Oplossing: (de woordzoeker moet zelf gemaakt worden)
Oefening 6: Match de woorden[bewerken | brontekst bewerken]
Match de Duitse woorden met hun Nederlandse vertalingen.
1. Herz
2. Zunge
3. Haut
4. Ellenbogen
5. Finger
Oplossingen:
1. Hart
2. Tong
3. Huid
4. Elleboog
5. Vinger
Oefening 7: Vragen en antwoorden[bewerken | brontekst bewerken]
Beantwoord de volgende vragen in het Duits:
1. Wie fühlst du dich?
2. Was tut weh?
3. Hast du Allergien?
4. Wo hast du Schmerzen?
5. Was ist passiert?
Oplossingen: (voorbeeldantwoorden)
1. Ich fühle mich nicht gut.
2. Mein Kopf tut weh.
3. Ja, ich habe Allergien an meinem Arm.
4. Ich habe Schmerzen in meinem Bauch.
5. Ich bin gestolpert.
Oefening 8: Invullen van de zinnen[bewerken | brontekst bewerken]
Vul de zinnen aan met de juiste woorden.
1. Mein ___ ist kaputt. (hand)
2. Ich habe ___ in meinem Bauch. (pijn)
3. Mein ___ ist rot. (oor)
4. Ich habe ___ am Kopf. (pijn)
5. Mein ___ tut weh. (knie)
Oplossingen:
1. Hand
2. Schmerzen
3. Ohr
4. Kopfschmerzen
5. Knie
Oefening 9: Rollenspel[bewerken | brontekst bewerken]
Speel een rollenspel waarin je een dokter en een patiënt bent. De patiënt beschrijft zijn of haar symptomen, en de dokter geeft advies.
Oplossing: (voorbeeldsituatie)
A: Hallo, ich habe Schmerzen in meinem Bauch.
B: Was hast du gegessen?
Oefening 10: Creatieve schrijfopdracht[bewerken | brontekst bewerken]
Schrijf een kort verhaal of een situatie waarin je een blessure hebt opgelopen en hoe je je voelde. Gebruik zoveel mogelijk woorden die je hebt geleerd in deze les.
Oplossing: (voorbeeldverhaal)
Ik viel van de fiets en deed mijn arm pijn. Het deed zo veel pijn dat ik naar de dokter moest. Ik had ook hoofdpijn. De dokter zei dat ik rust moest nemen.
Met deze oefeningen hopen we dat je een goed begrip hebt gekregen van de lichaamsdelen en hoe je blessures en symptomen in het Duits kunt beschrijven. Blijf oefenen en gebruik de woorden in je dagelijks leven. Veel succes met je verdere leren van de Duitse taal!
Andere lessen[bewerken | brontekst bewerken]
- 0 tot A1-Cursus → Woordenschat → Praten over Gezondheid
- 0 tot A1-cursus → Woordenschat → Dagen van de week en maanden
- Complete 0 to A1 Course → Woordenschat → Openbaar vervoer
- Beginnerscursus 0 tot A1 → Woordenschat → Voedsel en Maaltijden
- Compleet 0 tot A1 Duitse cursus → Woordenschat → Je voorstellen
- 0 tot A1-cursus → Woordenschat → Familieleden
- Complete 0 tot A1 Duitse cursus → Woordenschat → Praten over je vrienden
- 0 tot A1-cursus → Woordenschat → Cijfers 1-100
- 0 tot A1-cursus → Woordenschat → Tijd vertellen
- Complete 0 tot A1 Duitse cursus → Woordenschat → Begroetingen en afscheid
- Complete 0 tot A1 Duitse Cursus → Woordenschat → Winkelen voor Kleding
- Complete 0 tot A1 Duitse Cursus → Woordenschat → Dranken en drankjes
- Complete 0 tot A1 Duitse Cursus → Woordenschat → Een reis boeken
- 0 tot A1 Cursus → Woordenschat → Boodschappen Doen
