Language/German/Vocabulary/Family-Members/nl

Uit Polyglot Club WIKI
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
This lesson can still be improved. EDIT IT NOW! & become VIP
Rate this lesson:
0.00
(0 stemmen)


German-Language-PolyglotClub.jpg
Duits Woordenschat0 tot A1 CursusFamilieleden

Inleiding[bewerken | brontekst bewerken]

Welkom bij onze les over familieleden in het Duits! Het kennen van de juiste woorden om over je familie te praten, is essentieel voor het communiceren in het Duits. Deze les helpt je niet alleen om de namen van familieleden te leren, maar ook om vragen te stellen en informatie te delen over je gezin. Dit is een belangrijke stap in je reis naar het beheersen van de Duitse taal, vooral als je met anderen wilt praten over je leven en je achtergrond.

In deze les zullen we de volgende onderwerpen behandelen:

  • De namen van familieleden in het Duits
  • Voorbeeldzinnen om informatie te geven en vragen te stellen
  • Oefeningen om het geleerde in de praktijk te brengen

Laten we beginnen!

Familieleden in het Duits[bewerken | brontekst bewerken]

Laten we eerst de basiswoorden leren die je nodig hebt om over je familie te praten. Hier is een lijst met de belangrijkste familieleden:

Duits Uitspraak Nederlands
die Familie diː ˈfaːmɪli de familie
der Vater deːɐ̯ ˈfaːtɐ de vader
die Mutter diː ˈmʊtɐ de moeder
der Bruder deːɐ̯ ˈbʁuːdɐ de broer
die Schwester diː ˈʃvɛstɐ de zus
die Eltern diː ˈɛltɐn de ouders
die Großeltern diː ˈɡʁoːsˌɛltɐn de grootouders
der Sohn deːɐ̯ zoːn de zoon
die Tochter diː ˈtɔχtɐ de dochter
der Onkel deːɐ̯ ˈɔŋkl de oom
die Tante diː ˈtantə de tante
der Neffe deːɐ̯ ˈnɛfə de neef
die Nichte diː ˈnɪçtə de nicht
der Schwiegervater deːɐ̯ ˈʃviːɡɐˌfaːtɐ de schoonvader
die Schwiegermutter diː ˈʃviːɡɐˌmʊtɐ de schoonmoeder
der Schwager deːɐ̯ ˈʃvaːɡɐ de zwager
die Schwiegertochter diː ˈʃviːɡɐˌtɔχtɐ de schoondochter

Voorbeeldzinnen[bewerken | brontekst bewerken]

Nu we de woorden hebben geleerd, laten we kijken naar enkele voorbeeldzinnen waarin deze woorden worden gebruikt. Dit helpt je om te begrijpen hoe je deze woorden in zinnen kunt gebruiken.

Duits Uitspraak Nederlands
Mein Vater ist Lehrer. maɪ̯n ˈfaːtɐ ɪst ˈleːʁɐ Mijn vader is leraar.
Ich habe eine Schwester. ɪç ˈhaːbə ˈaɪ̯nə ˈʃvɛstɐ Ik heb een zus.
Deine Tante ist nett. ˈdaɪ̯nə ˈtantə ɪst nɛt Jouw tante is aardig.
Wir besuchen die Großeltern. viːʁ bəˈzuːxn diː ˈɡʁoːsˌɛltɐn We bezoeken de grootouders.
Mein Bruder spielt Fußball. maɪ̯n ˈbʁuːdɐ ʃpiːlt ˈfuːsbal Mijn broer speelt voetbal.
Sie haben zwei Töchter. ziː ˈhaːbən tsvai ˈtɔχtɐ Ze hebben twee dochters.
Ist das dein Sohn? ɪst das daɪ̯n zoːn Is dat jouw zoon?
Meine Schwiegermutter kocht gut. ˈmaɪ̯nə ˈʃviːɡɐˌmʊtɐ kɔχt ɡuːt Mijn schoonmoeder kookt goed.
Der Onkel von meinem Freund ist Arzt. deːɐ̯ ˈɔŋkl fɔn ˈmaɪ̯nəm fʁɔɪ̯nd ɪst aʁt͡s t De oom van mijn vriend is arts.
Ich liebe meine Familie. ɪç ˈliːbə ˈmaɪ̯nə faˈmiːli Ik hou van mijn familie.

Vragen stellen over je familie[bewerken | brontekst bewerken]

Een belangrijk deel van het communiceren over je familie is het stellen van vragen. Hier zijn enkele nuttige vragen die je kunt gebruiken:

  • Wie ist dein Vater? (Hoe is jouw vader?)
  • Hast du Geschwister? (Heb je broers of zussen?)
  • Wo wohnen deine Großeltern? (Waar wonen jouw grootouders?)
  • Wie alt ist deine Schwester? (Hoe oud is jouw zus?)
  • Was macht dein Bruder? (Wat doet jouw broer?)

Oefeningen[bewerken | brontekst bewerken]

Laten we nu wat oefeningen doen om je kennis over familieleden te testen!

Oefening 1: Vul de juiste woorden in[bewerken | brontekst bewerken]

Vul de lege plekken in met de juiste woorden (vader, moeder, broer, zus, etc.).

1. Mijn _______ is leraar.

2. Ik heb een _______ en een _______.

3. Jouw _______ is erg aardig.

Oefening 2: Vertaal de zinnen[bewerken | brontekst bewerken]

Vertaal de volgende zinnen naar het Duits.

1. Mijn grootouders zijn oud.

2. Heeft zij een broer?

3. Hij is mijn neef.

Oefening 3: Vraag en antwoord[bewerken | brontekst bewerken]

Schrijf een vraag en een antwoord over jouw familie.

Vraag: ______________________________________

Antwoord: ____________________________________

Oefening 4: Maak een zin met de woorden[bewerken | brontekst bewerken]

Maak een zin met de woorden: zus, mooi, speelt.

  • Mijn zus is mooi en speelt graag.

Oefening 5: Vul de tabel in[bewerken | brontekst bewerken]

Vul de tabel in met de juiste informatie over jouw familie.

Lidmaatschap Naam Leeftijd
Vater
Mutter
Bruder
Schwester

Oefening 6: Vragen oefenen[bewerken | brontekst bewerken]

Oefen het stellen van de vragen die we eerder hebben geleerd met een klasgenoot.

1. Wie ist dein Vater?

2. Hast du Geschwister?

Oefening 7: Woordenmatch[bewerken | brontekst bewerken]

Koppel de Duitse woorden aan de juiste Nederlandse vertalingen.

1. der Neffe

2. die Nichte

3. die Tante

4. der Bruder

a. de zus

b. de neef

c. de nicht

d. de tante

Oefening 8: Maak een familieboom[bewerken | brontekst bewerken]

Teken een eenvoudige familieboom en label de leden in het Duits.

Oefening 9: Vertel over je familie[bewerken | brontekst bewerken]

Schrijf een korte paragraaf over je familie in het Duits.

Oefening 10: Rollenspel[bewerken | brontekst bewerken]

Speel een rollenspel met een klasgenoot waarin je elkaar vragen stelt over je familie.

Oplossingen[bewerken | brontekst bewerken]

Hier zijn de oplossingen voor de oefeningen:

Oefening 1[bewerken | brontekst bewerken]

1. vader

2. zus, broer

3. moeder

Oefening 2[bewerken | brontekst bewerken]

1. Meine Großeltern sind alt.

2. Hat sie einen Bruder?

3. Er ist mein Neffe.

Oefening 3[bewerken | brontekst bewerken]

Vraag: Wie ist deine Familie?

Antwoord: Meine Familie ist groß.

Oefening 4[bewerken | brontekst bewerken]

Mijn zus is mooi en speelt graag.

Oefening 5[bewerken | brontekst bewerken]

Vul de tabel in met de juiste informatie over jouw familie.

Lidmaatschap Naam Leeftijd
Vater Jan 50
Mutter Anna 48
Bruder Tom 20
Schwester Lisa 18

Oefening 6[bewerken | brontekst bewerken]

Oefen het stellen van de vragen met een klasgenoot.

Oefening 7[bewerken | brontekst bewerken]

1 - b

2 - c

3 - d

4 - a

Oefening 8[bewerken | brontekst bewerken]

Teken een familieboom en label de leden in het Duits.

Oefening 9[bewerken | brontekst bewerken]

Ik heb een grote familie. Mijn vader is leraar en mijn moeder is arts. Ik heb een broer en een zus. Mijn grootouders wonen dichtbij.

Oefening 10[bewerken | brontekst bewerken]

Speel een rollenspel met een klasgenoot.

Gefeliciteerd met het voltooien van deze les over familieleden! Blijf oefenen en gebruik deze nieuwe woorden en zinnen in je gesprekken. Hoe meer je oefent, hoe beter je zult worden in het Duits!


Andere lessen[bewerken | brontekst bewerken]


Contributors

Maintenance script


Create a new Lesson