Language/German/Vocabulary/Buying-Groceries/nl
Հայերէն
Български език
官话
官話
Hrvatski jezik
Český jazyk
Nederlands
English
Suomen kieli
Français
עברית
हिन्दी
Magyar
Bahasa Indonesia
فارسی
Italiano
日本語
Қазақ тілі
한국어
Lietuvių kalba
Νέα Ελληνικά
Şimali Azərbaycanlılar
Język polski
Português
Limba Română
Русский язык
Српски
Español
العربية القياسية
Svenska
Wikang Tagalog
தமிழ்
ภาษาไทย
Türkçe
Українська мова
Urdu
Tiếng Việt
In deze les gaan we ons richten op een onderwerp dat voor iedereen belangrijk is: boodschappen doen. Of je nu in Duitsland woont, op vakantie bent of gewoon Duits leert, het weten hoe je boodschappen moet doen is een essentiële vaardigheid. Het helpt je niet alleen om je dagelijkse behoeften te vervullen, maar het geeft je ook de kans om je Duitse vocabulaire en spreekvaardigheid te verbeteren. We zullen verschillende soorten boodschappen bespreken, hoe je deze in een supermarkt kunt vragen en kopen, en we zullen enkele nuttige zinnen en woorden leren die van pas komen in deze context.
In deze les zullen we het volgende behandelen:
Belangrijke Vocabulaire[bewerken | brontekst bewerken]
Hieronder vind je een lijst van veelvoorkomende boodschappen die je in een Duitse supermarkt kunt tegenkomen. Deze woorden zijn cruciaal voor elke beginner, dus zorg ervoor dat je ze goed leert.
| German | Pronunciation | Dutch |
|---|---|---|
| das Brot | das Brot | het brood |
| die Milch | diː mɪlç | de melk |
| die Eier | diː ˈaɪ̯ɐ | de eieren |
| das Gemüse | das ɡəˈmyːzə | de groenten |
| das Obst | das ɔpst | het fruit |
| das Fleisch | das flaɪ̯ʃ | het vlees |
| die Wurst | diː vʊʁst | de worst |
| der Käse | deːɐ̯ ˈkɛːzə | de kaas |
| der Reis | deːɐ̯ raɪ̯s | de rijst |
| die Kartoffel | diː kaʁˈtɔfəl | de aardappel |
| das Wasser | das ˈvasɐ | het water |
| der Zucker | deːɐ̯ ˈtsʊkɐ | de suiker |
| das Salz | das zalts | het zout |
| die Butter | diː ˈbʊtɐ | de boter |
| die Schokolade | diː ʃokoˈlaːdə | de chocolade |
| das Joghurt | das ˈjoːɡʊʁt | de yoghurt |
| die Limonade | diː lɪmoˈnaːdə | de limonade |
| das Eis | das aɪ̯s | het ijs |
| der Kaffee | deːɐ̯ ˈkafeː | de koffie |
| der Tee | deːɐ̯ teː | de thee |
Nuttige Zinnen[bewerken | brontekst bewerken]
Nu we wat woorden hebben geleerd, is het tijd om te kijken naar enkele nuttige zinnen die je kunt gebruiken als je boodschappen doet. Deze zinnen helpen je om effectief te communiceren in de supermarkt.
| German | Pronunciation | Dutch |
|---|---|---|
| Wo finde ich das Brot? | voː ˈfɪndə ɪç das bʁoːt | Waar vind ik het brood? |
| Ich hätte gerne ein Kilo Äpfel. | ɪç ˈhɛtɛ ˈɡɛʁnə aɪ̯n ˈkiːlo ˈɛpfəl | Ik had graag een kilo appels. |
| Wie viel kostet das? | viː fiːl ˈkɔstɛt das | Hoeveel kost dat? |
| Haben Sie frisches Gemüse? | ˈhaːbən ziː ˈfʁɪʃəs ɡəˈmyːzə | Heeft u verse groenten? |
| Ich suche nach der Milch. | ɪç ˈzuːxə naːx deːɐ̯ mɪlç | Ik zoek de melk. |
| Kann ich mit Kreditkarte bezahlen? | kan ɪç mɪt kʁeˈdɪtˌkaʁtə bəˈtsaːlən | Kan ik met een creditcard betalen? |
| Wo ist die nächste Kasse? | voː ɪst diː ˈnɛːçstə ˈkasə | Waar is de dichtstbijzijnde kassa? |
| Ich brauche eine Tüte. | ɪç ˈbʁaʊ̯xə ˈaɪ̯nə ˈtyːtə | Ik heb een tas nodig. |
| Gibt es hier einen Rabatt? | ɡɪpt ɛs hiːʁ ˈaɪ̯nən ʁaˈbat | Is er hier een korting? |
| Ich möchte das zurückgeben. | ɪç ˈmœçtə das tsuˈʁʏkˌɡeːbən | Ik wil dit retourneren. |
Oefeningen[bewerken | brontekst bewerken]
Nu je bekend bent met sommige woorden en zinnen, laten we wat oefeningen doen om je kennis te testen en te versterken. Hier zijn enkele scenario's en vragen waarmee je kunt oefenen.
Oefening 1: Vul de lege plekken in[bewerken | brontekst bewerken]
Vul de lege plekken in met de juiste woorden uit de vocabulairelijst.
1. Ich kaufe ________ (de melk) für mein Frühstück.
2. Wir brauchen ________ (de eieren) für die Omelette.
3. Kannst du ________ (het brood) beim Bäcker kopen?
4. Ich möchte ________ (de kaas) für das Sandwich.
5. Wo ist ________ (de groenten) afdeling?
Antwoorden:
1. die Milch
2. die Eier
3. das Brot
4. den Käse
5. die Gemüse
Oefening 2: Vertaal de zinnen[bewerken | brontekst bewerken]
Vertaal de volgende zinnen van het Duits naar het Nederlands.
1. Wo sind die Äpfel?
2. Ich hätte gerne ein Wasser.
3. Wie viel kostet die Schokolade?
4. Haben Sie frisches Brot?
5. Ich suche nach der Butter.
Antwoorden:
1. Waar zijn de appels?
2. Ik had graag een water.
3. Hoeveel kost de chocolade?
4. Heeft u vers brood?
5. Ik zoek de boter.
Oefening 3: Rolspel[bewerken | brontekst bewerken]
Werk samen met een partner. Eén persoon speelt de klant en de andere de verkoper. Oefen een gesprek waarin je boodschappen doet met behulp van de nuttige zinnen die we hebben geleerd.
Oefening 4: Kies het juiste woord[bewerken | brontekst bewerken]
Kies het juiste woord om de zin te voltooien.
1. Ich kaufe ________ (Brot, Butter) für das Frühstück.
2. Wir brauchen ________ (Milch, Salz) für den Kuchen.
3. Kann ich ________ (Wasser, Tee) bestellen?
4. Wo ist die ________ (Kasse, Gemüse) Abteilung?
5. Ich möchte ________ (Käse, Fleisch) für das Abendessen.
Antwoorden:
1. Brot
2. Milch
3. Wasser
4. Kasse
5. Fleisch
Oefening 5: Schrijf een korte dialoog[bewerken | brontekst bewerken]
Schrijf een korte dialoog tussen een klant en een verkoper in de supermarkt. Gebruik ten minste vijf zinnen uit de nuttige zinnen.
Oefening 6: Woordenzoeker[bewerken | brontekst bewerken]
Maak een woordenzoeker met woorden uit de vocabulairelijst. Zoek de woorden en markeer ze.
Oefening 7: Synoniemen vinden[bewerken | brontekst bewerken]
Zoek synoniemen voor de woorden die je hebt geleerd (bijvoorbeeld: "das Obst" en "die Frucht").
Oefening 8: Maak een boodschappenlijst[bewerken | brontekst bewerken]
Maak een boodschappenlijst met ten minste 10 items die je in de supermarkt wilt kopen.
Oefening 9: Luister en herhaal[bewerken | brontekst bewerken]
Luister naar een opname (of vraag je leraar om het voor te lezen) van een gesprek in de supermarkt en herhaal wat je hebt gehoord.
Oefening 10: Voorbereiding op de supermarkt[bewerken | brontekst bewerken]
Maak je voor om naar de supermarkt te gaan. Schrijf een lijst van dingen die je moet doen voordat je gaat: hoe ga je erheen? Wat wil je kopen? Hoeveel geld heb je nodig?
Met deze oefeningen zijn we aan het einde van de les gekomen. Blijf oefenen en gebruik de geleerde woorden en zinnen in je dagelijkse leven. Boodschappen doen in het Duits kan een leuke manier zijn om je taalvaardigheden te verbeteren!
Andere lessen[bewerken | brontekst bewerken]
- 0 tot A1-cursus → Woordenschat → Familieleden
- Complete 0 to A1 Course → Woordenschat → Openbaar vervoer
- Complete 0 tot A1 Duitse cursus → Woordenschat → Lichaamsdelen
- Complete 0 tot A1 Duitse cursus → Woordenschat → Praten over je vrienden
- 0 tot A1-cursus → Woordenschat → Tijd vertellen
- Compleet 0 tot A1 Duitse cursus → Woordenschat → Je voorstellen
- Beginnerscursus 0 tot A1 → Woordenschat → Voedsel en Maaltijden
- Complete 0 tot A1 Duitse cursus → Woordenschat → Begroetingen en afscheid
- 0 tot A1-Cursus → Woordenschat → Praten over Gezondheid
- Complete 0 tot A1 Duitse Cursus → Woordenschat → Een reis boeken
- 0 tot A1-cursus → Woordenschat → Dagen van de week en maanden
- Complete 0 tot A1 Duitse Cursus → Woordenschat → Winkelen voor Kleding
- 0 tot A1-cursus → Woordenschat → Cijfers 1-100
- Complete 0 tot A1 Duitse Cursus → Woordenschat → Dranken en drankjes
