Language/Spanish/Grammar/Present-Tense-Verbs/nl

Uit Polyglot Club WIKI
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
This lesson can still be improved. EDIT IT NOW! & become VIP
Rate this lesson:
0.00
(0 stemmen)


Spanish-Language-PolyglotClub.png
Spanish-Countries-PolyglotClub.jpg
Spaans Grammatica0 tot A1 CursusTegenwoordige Tijd Werkwoorden

Welkom bij deze les over de tegenwoordige tijd van werkwoorden in het Spaans! Dit onderwerp is cruciaal voor het leren van de Spaanse taal, omdat het je in staat stelt om over dagelijkse activiteiten te spreken, jezelf uit te drukken en met anderen te communiceren. Of je nu praat over wat je vandaag hebt gedaan of wat je graag wilt doen, de tegenwoordige tijd is de basis van al je conversaties. In deze les gaan we de verschillende soorten werkwoorden verkennen, inclusief regelmatige, onregelmatige en stamveranderende werkwoorden. We zullen leren hoe je deze werkwoorden correct kunt vervoegen.

Wat zijn werkwoorden?[bewerken | brontekst bewerken]

Werkwoorden zijn woorden die een actie of een staat van zijn uitdrukken. In het Spaans zijn er drie hoofdgroepen werkwoorden, gebaseerd op hun eindletters: -ar, -er en -ir. Laten we deze groepen eens nader bekijken.

Regelmatige werkwoorden[bewerken | brontekst bewerken]

Regelmatige werkwoorden volgen een voorspelbaar patroon wanneer ze worden vervoegd. Hier zijn de regelmatige vervoegingen voor elke groep in de tegenwoordige tijd:

Werkwoorden op -ar[bewerken | brontekst bewerken]

|-

| 1e persoon enkelvoud (yo) || -o

|-

| 2e persoon enkelvoud (tú) || -as

|-

| 3e persoon enkelvoud (él/ella/usted) || -a

|-

| 1e persoon meervoud (nosotros/nosotras) || -amos

|-

| 2e persoon meervoud (vosotros/vosotras) || -áis

|-

| 3e persoon meervoud (ellos/ellas/ustedes) || -an

|}

Voorbeeld van regelmatige werkwoorden op -ar[bewerken | brontekst bewerken]

Laten we een voorbeeld bekijken van het werkwoord "hablar" (spreken):

Spaans Uitsprache Nederlands
yo hablo jo 'ablo ik spreek
tú hablas tu 'ablas jij spreekt
él habla el 'abla hij spreekt
nosotros hablamos noso'tros 'ablamos wij spreken
vosotros habláis voso'tros a'bláis jullie spreken
ellos hablan 'eʎos 'ablan zij spreken

Werkwoorden op -er[bewerken | brontekst bewerken]

|-

| 1e persoon enkelvoud (yo) || -o

|-

| 2e persoon enkelvoud (tú) || -es

|-

| 3e persoon enkelvoud (él/ella/usted) || -e

|-

| 1e persoon meervoud (nosotros/nosotras) || -emos

|-

| 2e persoon meervoud (vosotros/vosotras) || -éis

|-

| 3e persoon meervoud (ellos/ellas/ustedes) || -en

|}

Voorbeeld van regelmatige werkwoorden op -er[bewerken | brontekst bewerken]

Laten we het werkwoord "comer" (eten) bekijken:

Spaans Uitsprache Nederlands
yo como jo 'komo ik eet
tú comes tu 'komes jij eet
él come el 'kome hij eet
nosotros comemos noso'tros ko'memos wij eten
vosotros coméis voso'tros ko'méis jullie eten
ellos comen 'eʎos 'kamen zij eten

Werkwoorden op -ir[bewerken | brontekst bewerken]

|-

| 1e persoon enkelvoud (yo) || -o

|-

| 2e persoon enkelvoud (tú) || -es

|-

| 3e persoon enkelvoud (él/ella/usted) || -e

|-

| 1e persoon meervoud (nosotros/nosotras) || -imos

|-

| 2e persoon meervoud (vosotros/vosotras) || -ís

|-

| 3e persoon meervoud (ellos/ellas/ustedes) || -en

|}

Voorbeeld van regelmatige werkwoorden op -ir[bewerken | brontekst bewerken]

Laten we het werkwoord "vivir" (leven) bekijken:

Spaans Uitsprache Nederlands
yo vivo jo 'bibo ik leef
tú vives tu 'bives jij leeft
él vive el 'bibe hij leeft
nosotros vivimos noso'tros bi'vimos wij leven
vosotros vivís voso'tros bi'víis jullie leven
ellos viven 'eʎos 'biben zij leven

Onregelmatige werkwoorden[bewerken | brontekst bewerken]

Onregelmatige werkwoorden volgen geen vast patroon. Een paar veelvoorkomende onregelmatige werkwoorden zijn "ser", "ir" en "tener".

Het werkwoord "ser" (zijn)[bewerken | brontekst bewerken]

Spaans Uitsprache Nederlands
yo soy jo soj ik ben
tú eres tu 'eres jij bent
él es el es hij is
nosotros somos noso'tros 'somos wij zijn
vosotros sois voso'tros so'is jullie zijn
ellos son 'eʎos son zij zijn

Het werkwoord "ir" (gaan)[bewerken | brontekst bewerken]

Spaans Uitsprache Nederlands
yo voy jo 'boj ik ga
tú vas tu 'vas jij gaat
él va el 'ba hij gaat
nosotros vamos noso'tros 'bamos wij gaan
vosotros vais voso'tros 'bais jullie gaan
ellos van 'eʎos 'ban zij gaan

Het werkwoord "tener" (hebben)[bewerken | brontekst bewerken]

Spaans Uitsprache Nederlands
yo tengo jo 'tenɡo ik heb
tú tienes tu 'tjɛnɛs jij hebt
él tiene el 'tjɛnɛ hij heeft
nosotros tenemos noso'tros te'neɾemos wij hebben
vosotros tenéis voso'tros te'neis jullie hebben
ellos tienen 'eʎos 'tjɛnɛn zij hebben

Stamveranderende werkwoorden[bewerken | brontekst bewerken]

Sommige werkwoorden ondergaan een verandering in de stam wanneer ze worden vervoegd. Dit gebeurt meestal in de tweede en derde persoon enkelvoud. Laten we een paar voorbeelden bekijken.

Voorbeeld van stamverandering: "pensar" (denken)[bewerken | brontekst bewerken]

|-

| yo pienso || jo 'pjɛnso || ik denk

|-

| tú piensas || tu 'pjɛnsas || jij denkt

|-

| él piensa || el 'pjɛnsa || hij denkt

|-

| nosotros pensamos || noso'tros pen'samos || wij denken

|-

| vosotros pensáis || voso'tros pen'sáis || jullie denken

|-

| ellos piensan || 'eʎos 'pjɛnʃan || zij denken

|}

Voorbeeld van stamverandering: "volver" (terugkeren)[bewerken | brontekst bewerken]

|-

| yo vuelvo || jo 'bwelbo || ik keer terug

|-

| tú vuelves || tu 'bwelbes || jij keert terug

|-

| él vuelve || el 'bwelbe || hij keert terug

|-

| nosotros volvemos || noso'tros bol'vemos || wij keren terug

|-

| vosotros volvéis || voso'tros bol'veis || jullie keren terug

|-

| ellos vuelven || 'eʎos 'bwelben || zij keren terug

|}

Oefeningen[bewerken | brontekst bewerken]

Nu je de basis van de tegenwoordige tijd van werkwoorden in het Spaans begrijpt, is het tijd om wat oefeningen te doen! Hier zijn 10 oefeningen om je kennis te testen.

Oefening 1: Vervoeg de volgende werkwoorden in de tegenwoordige tijd.[bewerken | brontekst bewerken]

1. hablar: (yo) __________

2. comer: (tú) __________

3. vivir: (él) __________

4. ser: (nosotros) __________

5. ir: (vosotros) __________

6. tener: (ellos) __________

Oplossingen Oefening 1[bewerken | brontekst bewerken]

1. yo hablo

2. tú comes

3. él vive

4. nosotros somos

5. vosotros vais

6. ellos tienen

Oefening 2: Vul de juiste vorm van het werkwoord in.[bewerken | brontekst bewerken]

1. Yo __________ (comer) pizza.

2. Tú __________ (vivir) en Nederland.

3. Él __________ (hablar) español.

4. Nosotros __________ (ir) al cine.

5. Vosotros __________ (ser) amigos.

Oplossingen Oefening 2[bewerken | brontekst bewerken]

1. como

2. vives

3. habla

4. vamos

5. sois

Oefening 3: Maak de zinnen compleet.[bewerken | brontekst bewerken]

1. Ellos __________ (tener) un coche.

2. Yo __________ (pensar) en de vakantie.

3. Tú __________ (volver) mañana.

4. Nosotros __________ (comer) in het restaurant.

5. Vosotros __________ (vivir) in een groot huis.

Oplossingen Oefening 3[bewerken | brontekst bewerken]

1. tienen

2. pienso

3. vuelves

4. comemos

5. vivís

Oefening 4: Vertaal de volgende zinnen naar het Spaans.[bewerken | brontekst bewerken]

1. Ik eet een appel.

2. Jij spreekt met je vrienden.

3. Hij leeft in Spanje.

4. Wij gaan naar het park.

5. Jullie hebben een huis.

Oplossingen Oefening 4[bewerken | brontekst bewerken]

1. Yo como una manzana.

2. Tú hablas con tus amigos.

3. Él vive en España.

4. Nosotros vamos al parque.

5. Vosotros tenéis una casa.

Oefening 5: Maak een zin met de gegeven woorden.[bewerken | brontekst bewerken]

1. (nosotros, comer, pizza) __________

2. (tú, hablar, Spaans) __________

3. (yo, tener, een hond) __________

4. (ellos, vivir, in een appartement) __________

5. (vosotros, ir, naar het strand) __________

Oplossingen Oefening 5[bewerken | brontekst bewerken]

1. Nosotros comemos pizza.

2. Tú hablas español.

3. Yo tengo un perro.

4. Ellos viven en un apartamento.

5. Vosotros vais a la playa.

Oefening 6: Vervoeg het werkwoord "hacer" (doen) in de tegenwoordige tijd.[bewerken | brontekst bewerken]

1. yo __________

2. tú __________

3. él __________

4. nosotros __________

5. vosotros __________

6. ellos __________

Oplossingen Oefening 6[bewerken | brontekst bewerken]

1. hago

2. haces

3. hace

4. hacemos

5. hacéis

6. hacen

Oefening 7: Vul de juiste vorm in.[bewerken | brontekst bewerken]

1. Ella __________ (ir) naar school.

2. Nosotros __________ (tener) een kat.

3. Tú __________ (hacer) je huiswerk.

4. Ellos __________ (comer) brood.

5. Vosotros __________ (vivir) in Madrid.

Oplossingen Oefening 7[bewerken | brontekst bewerken]

1. va

2. tenemos

3. haces

4. comen

5. vivís

Oefening 8: Vertaal naar het Nederlands.[bewerken | brontekst bewerken]

1. Yo vivo en een klein dorp.

2. Tú eres mijn beste vriend.

3. Él tiene een nieuwe fiets.

4. Nosotros hablamos over vakantie.

5. Vosotros sois een leuke groep.

Oplossingen Oefening 8[bewerken | brontekst bewerken]

1. Ik woon in een klein dorp.

2. Jij bent mijn beste vriend.

3. Hij heeft een nieuwe fiets.

4. Wij praten over vakantie.

5. Jullie zijn een leuke groep.

Oefening 9: Maak een zin met de werkwoorden die je hebt geleerd.[bewerken | brontekst bewerken]

  • Gebruik minimaal twee verschillende werkwoorden in je zin.

Oplossingen Oefening 9[bewerken | brontekst bewerken]

  • Voorbeeld: Yo como y él habla.

Oefening 10: Reflectie.[bewerken | brontekst bewerken]

Schrijf een korte paragraaf over wat je vandaag hebt geleerd over de tegenwoordige tijd van werkwoorden in het Spaans.

Oplossingen Oefening 10[bewerken | brontekst bewerken]

  • Dit is een open vraag; de antwoorden kunnen variëren.

Gefeliciteerd met het voltooien van deze les over de tegenwoordige tijd van werkwoorden in het Spaans! Blijf oefenen en gebruik deze nieuwe kennis in je dagelijkse gesprekken. ¡Buena suerte!

Video's[bewerken | brontekst bewerken]

WERKWOORDEN SPAANS –SER I A1 I Tegenwoordige tijd I door ...[bewerken | brontekst bewerken]



Andere lessen[bewerken | brontekst bewerken]


Contributors

Maintenance script


Create a new Lesson